Lies, damned lies, and statistics

Argumenten die rusten op ‘harde cijfers’, vooral als deze de uitkomsten zijn van economische rekenmodellen dienen altijd met de nodige scepsis te worden bekeken, zo merkte de Amerikaanse schrijver Mark Twain meer dan honderd jaar geleden al op. Journalisten zouden er daarom goed aan doen de rekenmodellen van bijvoorbeeld het CPB niet kritiekloos te slikken. Maar ook relatief eenvoudige economische indicatoren, die doorgaans eveneens in ‘vertrouwenwekkende’ getallen worden uitgedrukt, geven soms een vertekend beeld van de werkelijkheid.

Vanochtend besprak columnist Peter de Waard in de papieren versie van de Volkskrant de grote bezitsongelijkheid die volgens hem in Nederland zou bestaan. Ongelijkheid in bezit of inkomen wordt vaak uitgedrukt in de zogenaamde Gini-coëfficiënt. De Italiaanse statisticus (en tevens fascistisch ideoloog) Corrado Gini (1884-1965) ontwikkelde een wiskundige formule die, als alle vermogens of inkomens in een land gelijk zouden zijn, het getal 0 oplevert. Als slechts één persoon alles bezit of verdient, is de uitkomst het getal 1. Kortom: hoe hoger de Gini-coëfficiënt, hoe groter de ongelijkheid.

Volgens De Waard is de Gini-coëfficiënt voor inkomens in Nederland weliswaar een heel bescheiden 0,21, maar is de Gini-coëfficiënt voor bezit maar liefst 0,82, wat op een wel heel erg grote vermogensongelijkheid zou duiden. Zodoende merkt De Waard op dat ‘als Nederland wil nivelleren […] dat beter [zou] kunnen door de vermogens aan te pakken dan de inkomens.’

Zo op het eerste gezicht lijkt er weinig mis met met deze redenatie, maar niettemin zitten er de nodige haken en ogen aan. Allereerst omdat er tegenwoordig uiteenlopende manieren bestaan om de Gini-coëfficiënt te berekenen. Volgens Eurostat is de Nederlandse Gini-coëfficiënt bijvoorbeeld 0,26, terwijl de Wereldbank en het CIA World Factbook een getal van 0,31 aanhouden. Een Gini-coëfficiënt geeft dus hooguit een indicatie van de daadwerkelijke ongelijkheid. Een nog serieuzer probleem is dat een Gini-coëfficiënt, door zijn formule-achtige totstandkoming, lang niet altijd een juiste indicatie geeft van de complexe werkelijkheid.

Het is bijvoorbeeld opvallend dat een land als Zweden, toch niet echt een bolwerk van het cowboykapitalisme, Gini-coëfficiënten kent die vergelijkbaar zijn met de Nederlandse. In 2000 kende Zweden namelijk een relatief lage Gini-coëfficiënt van 0,31 wanneer het ging over inkomensverschillen, maar, zodra uitsluitend naar bezit werd gekeken, een heel erg hoge Gini-coëfficiënt van 0,79. Een belangrijke oorzaak van dit verschil, zo constateerden (pdf) onderzoekers, was het uitgebreide collectieve pensioenstelsel dat in Zweden bestaat. Werkenden dragen immers wel ruimhartig bij aan de publieke pensioenpot, maar bezitten formeel gesproken helemaal niets van al dit spaargeld – tot het moment aanbreekt dat er daadwerkelijk met pensioen wordt gegaan.

In Nederland is iets vergelijkbaars aan de hand. Toekomstige pensioenaanspraken worden niet gezien als bezit. Een groot deel van het Nederlandse particuliere vermogen valt dus buiten de statistieken. Daarnaast is het zo dat veel huizenbezitters dankzij hun hypotheekschuld over een negatief vermogen beschikken. Zolang hoofdsom en verschuldigde rente samen meer bedragen dan de woningwaarde is er immers sprake van een schuld die groter is dan het bezit. Bezitters van een aflossingsvrije hypotheek, waarbij de hoofdsom van de lening niet of slechts gedeeltelijk wordt afgelost, beschikken (in de praktijk) per definitie over een negatief vermogen, terwijl ze toch een (vaak heel aardig) dak boven het hoofd hebben. En laat het nu net dit soort hypotheken zijn dat de afgelopen jaren geleden steeds vaker werd afgesloten.

Kortom: de constatering dat in Nederland de Gini-coëfficiënt voor vermogensverdeling maar liefst 0,82 bedraagt zegt zonder aanvullende informatie eigenlijk niets. Dat wil echter niet zeggen dat de Gini-coëfficiënt voor inkomensverdeling dan wel altijd een accurate weergave van de werkelijkheid biedt. Er bestaan voorbeelden te over van rijke individuen die dankzij allerlei fiscale trucs formeel gesproken over een te verwaarlozen of zelfs negatief inkomen beschikken. Eigenlijk zou een Gini-coëfficiënt die de consumptieverdeling weergeeft dus het beste zijn. Maar ja, daar ontbreken de benodigde gegevens voor. Er is immers (gelukkig maar) geen enkele instantie die precies bijhoudt wie wat koopt.

Zogenaamd harde cijfers en getallen worden maar al te vaak gebruikt om gewenst beleid van overtuigend klinkende argumenten te voorzien. Dit gebeurt niet alleen bij de overheid, maar ook in het bedrijfsleven en de semi-publieke sector. Echter, zolang niet duidelijk is hoe een bepaald getal precies tot stand is gekomen, is voor belanghebbenden een gezonde achterdocht altijd op zijn plaats.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s