Visies op de Amerikaanse droom

Moet een samenleving hard werk en inspanning belonen met een fatsoenlijk bestaan of is de kans op een fatsoenlijk bestaan al meer dan genoeg?

Vorige week hield President Obama een toespraak over de staat van de Amerikaanse economie. Zoals zo vaak met toespraken van belangrijke politici, werd er weinig concreets gezegd. Obama’s speech was een in algemene termen vervatte oproep om de groei van economische ongelijkheid in de VS een halt toe te roepen en daarnaast een pleidooi voor het herstel van de middle class die het de laatste jaren hard te verduren heeft gehad.

Weinig revolutionair allemaal.

Een stuk interessanter dan de toespraak zelf waren sommige van de reacties. Zoals deze van economisch analist Zachary Karabell.

Karabell nam vooral aanstoot aan onderstaande passage uit Obama’s toespraak:

In the period after World War II, a growing middle class was the engine of our prosperity.  Whether you owned a company, swept its floors, or worked anywhere in between, this country offered you a basic bargain – a sense that your hard work would be rewarded with fair wages and benefits, the chance to buy a home, to save for retirement, and, above all, to hand down a better life for your kids.

Om aan te tonen wat mis is met het bovenstaande, duikt Karabell diep in het Amerikaanse verleden. Zijn conclusie? Obama – en velen met hem – hebben de essentie van de American Dream volstrekt verkeerd begrepen. In de woorden van Karabell:

Before the mid-20th century, the American dream was that if you worked hard you had the potential to craft a good life. You could be free from repressive government, and you could be able to watch your children do better via education and their own hard work. That potential was absent in other societies, and its presence – along with tens of millions of acres of unclaimed land – was what drew so many millions of immigrants.

In short, the equation of American economic success until the mid-20th century was not that if you worked hard you would have a stable material life. It was that if you worked hard, you could create such a life. The difference is not semantic; it is fundamental,

Terug dus naar de oorspronkelijke, waarachtige Amerikaanse droom van de late negentiende eeuw:

[…] at some point in the last half of the 20th century, the American dream morphed from the promise that you could realize a comfortable life, to a promise that being American meant you would and should realize that. […]

In truth, the passing of that false certainty is a positive. Urgency and uncertainty are not negatives, at least not inherently. They can provide the necessary fuel for ambition and for creativity and work. Urgency and uncertainty were the norm in the late 19th century and look what those produced in America: the very power and prosperity that catapulted the country to the center of the globe.

Of je het nu met hem eens bent of niet, Karabells stuk heeft in ieder geval de verdienste dat het een eerlijk onderscheid maakt tussen twee radicaal verschillende maatschappijvisies. Volgens de ene visie dient hard werk en inspanning (in de overgrote meerderheid van de gevallen) te worden beloond met financiële zekerheid en zelfs enig comfort. Volgens de andere visie, hoeft tegenover hard werk en inspanning niet meer dan een kans te staan om aan de armoede te ontsnappen (en afgaande op de daadwerkelijke situatie in het Amerika van de late negentiende eeuw, niet eens een grote kans).

Karabell is – afgaande op het hierboven aangehaalde opiniestuk – wat je een eerlijke liberaal zou kunnen noemen. Hij komt hier niet aanzetten met bedriegerij zoals trickle-down economics, maar geeft openlijk toe dat de keerzijde van een terughoudende overheid is dat ook talloze hardwerkende mensen tot een leven in armoede worden veroordeeld. Karabells rechtvaardiging hiervoor is dat dergelijke armoede uiteindelijk beter is voor het land als geheel.

Het is natuurlijk niet moeilijk op economische gronden van bovenstaande conclusie gehakt te maken (hint: ‘binnenlandse vraag’). Maar daarnaast roept Karabells betoog algemenere, ook voor Nederland relevante vragen op: welk percentage ‘harde werkers’ mag in een fatsoenlijke samenleving buiten de boot vallen? En zit je bijvoorbeeld als doekjesvouwende bijstandontvanger überhaupt nog wel in die boot?

Want de stelling dat alleen luie mensen niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien, mag ondertussen toch wel als achterhaald worden beschouwd.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s