Tagarchief: ongelijkheid

De Feodale Staten van Amerika

Inspraak is niet voor de 99%, zo vinden rijke Amerikanen en Republikeinse politici.

Amerikaanse bedrijven zijn doorgaans fel gekant tegen vakbonden. Daarnaast bestaat vooral in zuidelijke, door Republikeinen gedomineerde staten allerlei wetgeving die de invloed en macht van vakbonden moet tegengaan.

De verrassing was dan ook groot toen het management van een fabriek van Volkswagen in de zuidelijke staat Tennessee de werknemers onlangs aanmoedigde lid te worden van de United Automobile Workers.

Ondernemingsraden
In Duitsland heeft Volkswagen namelijk van oudsher positieve ervaringen met ondernemingsraden. In de VS zijn dergelijke instellingen echter verboden, tenzij de werknemers van een bedrijf er eerst voor hebben gekozen zich te laten vertegenwoordigen door een vakbond.

Ondanks de expliciete wens van Volkswagen voor de komst van een vakbond, waren lokale Republikeinse politici niet van zins dit zomaar te laten gebeuren.

State Senator Bo Watson gaf alvast aan dat indien werknemers vóór de komst van een vakbond zouden stemmen, ze er niet op hoefden te rekenen dat Volkswagen op verdere belastingvoordelen (waarmee het bedrijf in eerste instantie naar Tennessee was gelokt) hoefde te rekenen om de productie uit te breiden.

State Representative Gerald McCormick reageerde als volgt:

The taxpapers of Tennessee reached out to Volkswagen and welcome them to our state and our community. We are glad they are here. But that is not a green light to help force a union into the workplace. That was not part of the deal.

De boodschap van deze Republikeinen was helder: liever helemaal geen extra banen dan union jobs, zelfs als de werkgever dat wil.

Nog bonter werd het gemaakt door (federaal) senator Bob Corker. Deze beweerde op de eerste dag van de stemming dat hem was ‘verzekerd’ dat indien werknemers de komst van de vakbond zouden tegenhouden, Volkswagen hen zou ‘belonen’ met extra productiecapaciteit in Tennessee.

Dat deze bewering in directe tegenspraak was met diverse publieke verklaringen van Volkswagen deerde hem (zoals dat tegenwoordig gaat bij Republikeinen) niet in het minst.

De Amerikaanse Burgeroorlog – deel II
Deze episode illustreert dat Republikeinen, ooit de felste tegenstanders, maar inmiddels de intellectuele erfgenamen van de oude Confederacy, niet primair zijn geïnteresseerd in economische groei, werkgelegenheid of zelfs maar vrijheid voor bedrijven.

Hun belangrijkste doel, zo lijkt het, is het bestaan een permanente onderklasse van machteloze en vooral gehoorzame werknemers die zonder morren de wensen van hun superieuren vervullen.

In de klassieke woorden van de zuidelijke senator James Hammond (1807-1864):

In all social systems there must be a class to do the menial duties, to perform the drudgery of life. […] Such a class you must have, or you would not have that other class which leads progress, civilization and refinement.

In zijn eigen staat, South Carolina, werd deze onderklasse gevormd door zwarte slaven. Maar, zo hield hij zijn mede-senatoren voor, in het vrije noorden bestond evengoed behoefte aan een dergelijke klasse: alleen daar was deze opgebouwd uit manual laborers and operatives.

Niettemin was en bleef het zuidelijke systeem superieur, zo schreef The Richmond Inquirer in 1856:

The great evil of Northern free society is that it is burdened with a servile class of mechanics and laborers, unfit for self-government, and yet clothed with the attributes and powers of citizens. […] slavery is the natural and normal condition of laboring man, whether white or black.

In tegenstelling tot zijn zuidelijke tegenstrevers, was Abraham Lincoln van mening dat het Amerikaanse systeem van arbeid behoorde te zijn gebaseerd op vrijheid en zelfbeschikking van de werknemer:

I am glad to see that a system prevails in New England under which laborers CAN strike when they want to. […] I LIKE the system which lets a man quit when he wants, and wish it might prevail everywhere.

Dit, veel meer dan het lot van de zwarte slaven in de zuidelijke staten, was in Lincolns optiek de kern van de strijd tussen Noord en Zuid. Indien de zuidelijke staten in deze (vooralsnog) politieke strijd zouden zegevieren, zou het karakter van het hele land onherroepelijk veranderen, zo waarschuwde Lincoln:

[F]ree labor that CAN strike, will give way to slave labor that cannot!

De nieuwe adel
Uiteraard bestaan er in de zuidelijke staten van de VS geen plannen om de slavernij te herinvoeren. Niettemin is men nog even fel als vroeger gekant tegen free labor that CAN strike. En van medezeggenschap van werknemers moet men, zoals de Volkswagen-soap illustreert, ook niets hebben. Opmerkelijk genoeg, wordt die houding door veel gewone werknemers gedeeld.

Misschien omdat zij onvoldoende begrijpen dat sommige vertegenwoordigers van rechts Amerika gewone werknemers niet alleen inspraak bij hun werkgever, maar ook iedere reële politieke inspraak willen ontzeggen. Zo heeft miljardair Tom “Kristallnacht” Perkins een nieuw plan om de belangen van de superrijken veilig te stellen:

The Tom Perkins system is: You don’t get the vote if you don’t pay a dollar in taxes. But what I really think is: it should be like a corporation. You pay a million dollars, you get a million votes. How’s that?

Ofwel: de top 1% van Amerikaanse belastingbetalers krijgt evenveel invloed als de armste 95% van alle kiezers.

Alsof we terug zijn in de goede oude Middeleeuwen!

O ja, die vakbond bij de Volkswagenfabriek in Tennessee is er uiteindelijk dus niet gekomen.

De Amerikaanse middenklasse verdwijnt

Zo bericht The New York Times:

As politicians and pundits in Washington continue to spar over whether economic inequality is in fact deepening, in corporate America there really is no debate at all. The post-recession reality is that the customer base for businesses that appeal to the middle class is shrinking as the top tier pulls even further away.

Grote bedrijven houden nu al rekening met deze nieuwe realiteit:

In response to the upward shift in spending, PricewaterhouseCoopers clients like big stores and restaurants are chasing richer customers with a wider offering of high-end goods and services, or focusing on rock-bottom prices to attract the expanding ranks of penny-pinching consumers.

“As a retailer or restaurant chain, if you’re not at the really high level or the low level, that’s a tough place to be,” Mr. Maxwell said. “You don’t want to be stuck in the middle.”

Nog even wat deprimerende cijfers:

In 2012, the top 5 percent of earners were responsible for 38 percent of domestic consumption, up from 28 percent in 1995, the researchers found.

Even more striking, the current recovery has been driven almost entirely by the upper crust, according to Mr. Fazzari and Mr. Cynamon. Since 2009, the year the recession ended, inflation-adjusted spending by this top echelon has risen 17 percent, compared with just 1 percent among the bottom 95 percent.

En uiteraard heeft deze groeiende ongelijkheid vervelende consequenties voor zo’n beetje iedereen:

Mr. Fazzari also said that depending on a relatively small but affluent slice of the population to drive demand makes the economy more volatile, because this group does more discretionary spending that can rise and fall with the stock market, or track seesawing housing prices. The run-up on Wall Street in recent years has only heightened these trends, said Guy Berger, an economist at RBS, who estimates that 50 percent of Americans have no effective participation in the surging stock market, even counting retirement accounts.

Ook investeerders weten inmiddels wat er in de echte wereld aan de hand is:

Investors have taken notice of the shrinking middle. Shares of Sears and J. C. Penney have fallen more than 50 percent since the end of 2009, even as upper-end stores like Nordstrom and bargain-basement chains like Dollar Tree and Family Dollar Stores have more than doubled in value over the same period.

Maar een iets hoger belastingtarief voor de hoogste inkomens is communisme en nationaal-socialisme ineen.

Een land voor en door de rijken

Terwijl de Amerikaanse middenklasse langzaam verdwijnt, worden leden van het Congres alsmaar rijker. Inwoners van West Virginia hoeven voorlopig even niet op schoon drinkwater te rekenen.

In dezelfde week dat Republikeinen in het Congres de werkloosheidsuitkeringen van meer dan een miljoen Amerikanen weigerden te verlengen, kwam tevens het nieuws naar buiten dat inmiddels meer dan de helft van alle senatoren en leden van het Huis van Afgevaardigden miljonair is. Van de 534 huidige leden van het Congres beschikken er 268 over een nettovermogen (bezittingen minus schulden) van tenminste één miljoen dollar.

Ter vergelijking: in 2010 bezat de helft van alle Amerikaanse huishoudens een nettovermogen van minder dan 57.000 dollar. Het plaatje wordt iets florissanter indien alleen naar de vermogens van wat oudere Amerikanen wordt gekeken. Maar dan nog is het mediaan nettovermogen van congresleden ruim acht keer zo hoog als dat van gewone Amerikanen tussen de 45 en 54 jaar ($ 1.008.767 om $ 117.900).

Een gevolg van deze discrepantie is dat veel leden van het Congres niet of nauwelijks oog hebben voor de situatie van de minder bedeelden of deze wegzetten als luie profiteurs. Zijzelf hebben toch ook wat van hun leven kunnen maken?

Een aardig voorbeeld hiervan wordt geleverd door Jack Kingston, Republikeins afgevaardigde namens de staat Georgia. Het feit dat Amerikaanse kinderen van armere ouders gesubsidieerde of gratis schoollunches ontvangen, was hem een doorn in het oog. Deze kinderen, zo stelde hij serieus voor, zouden eigenlijk de conciërges moeten helpen met het vegen van klaslokalen en dergelijke. Immers, there’s no such thing as a free lunch.

Maar dat bleek toch niet helemaal te kloppen: zelf declareerde hij in drie jaar tijd meer dan vierduizend dollar aan lunchvergoedingen, dat wil zeggen een bedrag ter waarde van ongeveer tweeduizend schoollunches (kortom, het Republikeinse partijprogramma in een notendop: a free lunch for me, but not for thee). Maar Jack Kingston verricht dan ook belangrijk werk – in tegenstelling tot schoolgaande kinderen. Die profiteren alleen maar van andermans belastingcenten.

Een fundamenteler gevolg van de afstand tussen congresleden en gewone Amerikanen is dat bedrijven doorgaans weinig in de weg wordt gelegd om de fysieke leefomgeving van laatstgenoemden te vervuilen. Fracking is natuurlijk een berucht voorbeeld. En met name in de relatief arme en rurale staat West Virginia hebben mijnbouwbedrijven de gewoonte – ondanks de grote schade en vervuiling die dit aanricht – om complete bergtoppen op te blazen om op die manier de onderliggende steenkooladers leeg te kunnen halen.

Dit is echter niet de enige manier waarop mijnbouwbedrijven de staat West Virginia terroriseren. Dankzij het bedrijf Freedom Industries (nee, dit is geen grap) kwamen vorige week duizenden liters aan chemicaliën die worden gebruikt om steenkool te reinigen terecht in de watervoorziening van naar schatting 300.000 inwoners van de staat. De gouverneur riep de noodtoestand uit en er ontstond een run op gebotteld water.

Ondertussen weet niemand wanneer het water weer veilig kan worden gebruikt en wat de precieze gezondheidsrisico’s van de gelekte vloeistof zijn. Tenslotte nam Freedom Industries, ook nadat de omvang van het lek bekend was geworden, niet eens de moeite om contact op te nemen met het betreffende waterleidingsbedrijf. Shit happens, nietwaar?

En bovendien – zo weten ze zelfs bij MTV – wordt een staat als West Virginia toch alleen maar bevolkt door hicks, rednecks en hillbillies. Nauwelijks echte mensen dus.

Twee werelden

In de VS is de ene werknemer de andere niet. En dat heeft weinig met prestaties te maken. Zou het in Nederland anders zijn?

Business Week berichtte een week of twee geleden dat steeds meer grote bedrijven, naast gouden handdrukken voor vertrekkende bestuurders, ook nieuwe bestuurders voorzien van een gouden handdruk, een zogenaamde welkomstbonus. Nog voordat de nieuwe bestuurder ook maar iets heeft gepresteerd, worden al de nodige miljoenen op zijn bankrekening bijgeschreven.

Zo ontving de voormalige CEO van JC Penny, een Amerikaanse warenhuisketen, een welkomstbonus van een kleine 53 miljoen dollar. Zeventien maanden later was deze CEO, Ron Johnson, alweer ontslagen. In de tussentijd had hij zijn nieuwe bedrijf alleen maar dieper in de zorgen gedrukt.

Bedrijven rechtvaardigen het uitdelen van dergelijke welkomstbonussen doorgaans met het argument dat hun nieuwe bestuurder, door bij de oude werkgever te vertrekken, geen aanspraak meer kan maken op bepaalde toegezegde beloningen. En het is natuurlijk niet de bedoeling dat mensen als CEO’s financieel risico lopen vanwege de carrièrekeuzes die ze maken. Dat is meer iets voor gewone werknemers.

Ron Johnson is overigens niet de enige CEO waarmee het misging in de retail business. Ook hedge fund manager Eddie Lampert werd ooit verwelkomd als grote redder van de Amerikaanse winkelketen Sears. Geïnspireerd door het vrije marktfundamentalisme van zijn grote idool Ayn Rand, liet hij zijn managers tegen elkaar concurreren, vanuit de gedachte dat de drang tot lijfsbehoud en ordinaire zelfzucht mensen tot grootse economische prestaties aanzet.

Het resultaat was voorspelbaar: in plaats van gezamenlijk in het belang van het gehele bedrijf te werken, begonnen individuele managers elkaars divisies te ondermijnen in een gevecht om financiering, persoonlijke carrièrekansen en de gunst van de grote baas. Inmiddels sloot Sears de helft van alle winkels en verloor daarnaast meer dan de helft van zijn beurswaarde.

Liever dan in fysieke winkels of bedrijfsvoering te investeren, liet Lampert Sears een deel van de eigen aandelen terugkopen, om zo de beurskoers de beïnvloeden en – als grootaandeelhouder – zijn eigen zakken te vullen. In tegenstelling tot de rest van zijn bedrijf, gaat het Lampert, na acht jaar wanbeleid, dus nog steeds voor de wind.

Terwijl CEO’s van grote bedrijven goed voor zichzelf zorgen, ziet de situatie op de werkvloer er heel anders uit. Zelfs in de Amerikaanse bankensector, waar inmiddels weer recordwinsten worden geboekt (en recordbonussen worden uitgekeerd), hebben gewone werknemers het zwaar. Drie van de tien baliemedewerkers bij banken verdienen zodanig weinig dat ze afhankelijk zijn van enige vorm van publieke ondersteuning. Dit kost Amerikaanse belastingbetalers zo’n 900 miljoen dollar per jaar. Nóg een manier, zeg maar, waarop lagere en middeninkomens mogen bijdragen aan het rendement van aandeelhouders en de bonussen van miljonairs in de financiële sector.

Niet omdat het redelijk is, maar omdat het kan.

Ongelijkheid als consequentie van de informatiemaatschappij

Ik las zojuist een interessante recensie van Jaron Laniers Who Owns the Future? op Sargasso. Een voorproefje:

Een succesvolle informatie-economie kan volgens Lanier niet functioneren op dit principe waarin een kleine groep grof geld verdient aan informatie, terwijl de rest van de samenleving het gratis weggeeft.

Lanier gaat in tegen veel van het gedachtegoed uit Silicon Valley, en legt knap de pijnpunten en negatieve effecten bloot van systemen die we op het eerste gezicht toejuichen. Gratis toegang tot educatie is een mooi voorbeeld. Initiatieven zoals de Khan Academy, en Coursera worden in Silicon Valley op handen gedragen voor de manier waarop ze de toegang tot educatie verlagen. Colleges van professoren van de beste universiteiten ter wereld worden digitaal gratis aangeboden. Een typisch voorbeeld van de Silicon Valley-ideologie van gratis informatie voor iedereen. Voor de korte termijn prachtig initiatief, maar op langere termijn schaadt het volgens Lanier de economie. Hoe meer onderwijs gratis wordt aangeboden, hoe minder geld universiteiten zullen hebben om personeel aan te nemen en onderzoek te financieren. Hoewel een gratis online opleiding dus op de korte termijn voordelig lijkt, schaadt die tegelijk de kansen dat deelnemers later aan een universiteit zouden kunnen werken.

Lanier beschrijft hoe het Silicon Valley denken steeds meer banen laat verdwijnen en sectoren laat krimpen, zoals ook in de muzieksector is gebeurd. Alleen de [grote, gecentraliseerde data-aanbieders] die diensten gratis aanbieden, of het nu muziek, educatie of gezondheidszorg is, verdienen straks nog aan de informatie die zij verzamelen.

Lees de rest hier.

Economische gelijkheid en geluk

Hoe sterk is de relatie tussen economische gelijkheid en geluk?

Onlangs publiceerde opiniepeiler Gallup (via) de resultaten van een wereldwijd onderzoek naar emotioneel welbevinden. Wat blijkt? Latijns-Amerikaanse landen behoren tot de meest positief ingestelde landen ter wereld – en dat terwijl we net hadden gehoord dat de inkomensongelijkheid nergens zo groot is als in Latijns-Amerika.

Nu valt er heus het nodige af te dingen op dit onderzoek. Het is gebaseerd op één enkele vraag en respondenten zijn deels ondervraagd via de telefoon. Daarnaast hebben opiniepeilers doorgaans de gewoonte om vaste lijnen af te bellen in plaats van mobiele nummers (die natuurlijk niet in een telefoongids zijn opgenomen) en is het ook nog eens zo dat in armere landen rijken zijn oververtegenwoordigd onder de bezitters van met name vaste telefoontoestellen. Wellicht nog overtuigender is dat ondanks hun grote mate van gemeten geluk, grote aantallen Latijns-Amerikanen ieder jaar op zoek gaan naar een beter leven in de rijkere, westerse wereld.

Aan de andere kant: net zoals er in Latijns-Amerika een regio is gevonden die er uitspringt wat betreft gelukkige landen, is er ook, zij het iets minder duidelijk, een regio waar de mensen meer dan gemiddeld ongelukkig zijn. Deze regio is – hoe kan het ook bijna anders? – de Balkan. Zo neemt Servië qua gemeten geluk op de ranglijst een plek in tussen Irak en Jemen. In Macedonië zijn ze ongeveer net zo gelukkig als in Afghanistan (maar daar zullen ze wel niet veel vrouwen hebben ondervraagd).

Kortom: uit deze opiniepeiling vallen aanwijzingen te destilleren dat geluk in belangrijkere mate wordt bepaald door cultuur en de daarbij behorende levenshouding dan door economische (on)gelijkheid – wat natuurlijk nog niet wil zeggen dat deze laatste factor helemaal geen rol speelt.

Waarom is dit interessant? In de reacties op dit stuk kwam de vraag ter sprake of en zo ja, onder welke omstandigheden, gewapend verzet tegen economische ongelijkheid te rechtvaardigen valt. Mijn insteek was dat gewapende revoluties maar zelden tot een betere uitkomst voor de bevolking hebben geleid. Mede vanwege deze onzekerheid met betrekking tot het eindresultaat van gewapende opstand valt geweldloos verzet in veruit de meeste gevallen te verkiezen boven een meer gewelddadige respons. Wie wil er nu een bus vol non-combattanten (of zelfs dienstplichtigen) opblazen alleen maar om de volgende dictatuur aan de macht te helpen?

Hieraan kan nu dus worden toegevoegd dat zelfs al zou de revolutie een eerlijker welvaartsverdeling bereiken, de effecten daarvan op het welbevinden van de bevolking waarschijnlijk niet reusachtig groot zullen zijn. In ieder geval niet groot genoeg, zo lijkt het, om de dood en het verderf die doorgaans met gewapende revoluties gepaard gaan te kunnen rechtvaardigen. Zelfs de arbeider in de socialistische heilstaat zal met zekere regelmaat een baaldag hebben.

Lies, damned lies, and statistics

Argumenten die rusten op ‘harde cijfers’, vooral als deze de uitkomsten zijn van economische rekenmodellen dienen altijd met de nodige scepsis te worden bekeken, zo merkte de Amerikaanse schrijver Mark Twain meer dan honderd jaar geleden al op. Journalisten zouden er daarom goed aan doen de rekenmodellen van bijvoorbeeld het CPB niet kritiekloos te slikken. Maar ook relatief eenvoudige economische indicatoren, die doorgaans eveneens in ‘vertrouwenwekkende’ getallen worden uitgedrukt, geven soms een vertekend beeld van de werkelijkheid.

Vanochtend besprak columnist Peter de Waard in de papieren versie van de Volkskrant de grote bezitsongelijkheid die volgens hem in Nederland zou bestaan. Ongelijkheid in bezit of inkomen wordt vaak uitgedrukt in de zogenaamde Gini-coëfficiënt. De Italiaanse statisticus (en tevens fascistisch ideoloog) Corrado Gini (1884-1965) ontwikkelde een wiskundige formule die, als alle vermogens of inkomens in een land gelijk zouden zijn, het getal 0 oplevert. Als slechts één persoon alles bezit of verdient, is de uitkomst het getal 1. Kortom: hoe hoger de Gini-coëfficiënt, hoe groter de ongelijkheid.

Volgens De Waard is de Gini-coëfficiënt voor inkomens in Nederland weliswaar een heel bescheiden 0,21, maar is de Gini-coëfficiënt voor bezit maar liefst 0,82, wat op een wel heel erg grote vermogensongelijkheid zou duiden. Zodoende merkt De Waard op dat ‘als Nederland wil nivelleren […] dat beter [zou] kunnen door de vermogens aan te pakken dan de inkomens.’
Lees verder